ondernemen
aan de man brengen

Pokémonkaartjes te koop! Iemand?

Twee ondernemertjes wilden snel rijk worden, maar niet luisteren. Dat ging als volgt.

Of ik het bilbrede houten zitbankje dat in de voortent staat wil verplaatsen naar de rand van het pad. Zoonlief heeft een plannetje. Terwijl ik het onding naar de grasrand sleep, stift hij een blauw A4’tje vol met aankondigingen. Het vel papier plakt hij vervolgens een beetje knullig vast aan de zitbank. Dan grijpt hij snel een stapeltje Pokémonkaarten uit zijn verzamelbakje en stalt deze commercieel onhandig uit op het bankje.

Pokémonkaarten te koop, roept hij. Maar niemand loopt langs. Alleen de heg luistert.

Wat zoonlief wil, wil dochterlief vervolgens ook. Hartstochtelijk grist ze wat tekeningen van tafel en legt deze een beetje slordig op hetzelfde zitbankje. Ze mogen weg voor 50 cent per stuk. De Pokémonkaartjes gaan eruit voor 20 cent per stuk. Een en ander wordt uitgelegd op het A4’tje dat aan de geïmproviseerde etalage hangt. Af en toe steekt de wind op en waait de inventaris over het grasveldje. Het lijkt ze niet te deren. Rustig rapen ze de boel weer bij elkaar en plaatsen ze alles weer net zo knullig als daarnet op de toonbank.

Een minuut of tien is voorbij. Het geduld van zoonlief is kortetermijnerig. Zonder het aanstekelijke doorzettingsvermogen van dochterlief had meneer vast na een minuut of twee de handdoek al in de ring gegooid. Het echte ondernemerschap zit niet in hem. Hij is meer van de ideeën. En zodra een idee er is, hoeft daar niets meer aan gedaan te worden.

Hetzelfde geldt voor z’n plannetje.

Zo’n kindercampingwinkeltje knalt natuurlijk uit elkaar van de schattigheid. Ook al ontbreekt het behalve aan enthousiasme zo ongeveer aan alles. De charmante knulligheid laat mij vooral denken aan de vrijmarkt die het Oranjecomité van het gehucht Hoorn een paar kilometer verderop een dag eerder organiseerde. ‘Deze vrijmarkt wordt gesponsord door heel Oost-Terschelling’, liet de omroeper ons nog vrolijk weten. Ze verkochten ook lotjes. En er was een springkussen voor de kleintjes.

Uit vaderlijke interesse maak ik een soort van testloop langs zijn uitstalling. Zoonlief zit er mokkend bij.
Je moet niet zo boos kijken, vertel ik hem. Dat schrikt mensen af. Je moet commercieel kijken, lachen. Je moet net doen alsof je hun vriendje bent.
Ik zie hem denken, als ze echte vriendjes zijn hadden ze allang een kaartje gekocht.

De tekeningen van dochterlief flapperen in de wind. Er liggen gewichtjes op. De verkoop loopt niet. Meer dan een ‘wat mooi gemaakt zeg’ krijgt ze niet. Omdat alle kinderen op de camping tekeningen maken, hangen de tenten er vol mee. Dan zijn de Pokémonkaartjes van zoonlief een slimmere keuze. De behoefte ernaar is simpelweg groter. Bovendien is 20 cent een belachelijk scherpe prijs. Nieuw in de winkel zijn ze 60 cent.

Het is grijs vandaag, voortdurend is er die dreiging van regen. De wind trekt aan, dit is geen weer om buiten te zijn. Opeens is de winkel leeg en is de inventaris onbeheerd. In de verte skeltert zoonlief langs en dichterbij duikt dochterlief op in onze tent. Haar gezicht verraadt onvrede. Nukkigheid. Voordat ik het goed en wel in de gaten heb sta ik zelf in het winkeltje.
De uitbater is even skelteren, zeg ik tegen een jongetje dat voorzichtig voor de uitstalling draalt. Als je zo even terugkomt zal hij je graag uithelpen.
Oké, zegt het jongetje en keert die dag niet meer terug.

De locatie wringt. Het weer is bar en boos. Het verhaal dat ze proberen te verkopen kan wel wat peper gebruiken. En de marketing heeft nogal een jaren ’90 gevoel. Veel geschreeuw, weinig wol. Enfin, allemaal dingen die ik ze probeer uit te leggen, maar ja. Ze zijn 8 en 6 jaar oud en denken dat purpose een portemonnee is.

Weet je, zegt zoonlief na pak ‘m beet een half uurtje. Ik zou willen dat die gast van de loombandjes er nog zat. Die heeft het altijd heel druk. Dan zou ik bij hem gaan zitten zodat ik het ook druk krijg en iedereen Pokémonkaartjes van mij koopt.
Aha, zeg ik. Kijk, da’s een goed idee. Dat is een soort van winkelstraatdenken. Nu zit je hier in het dwaalgebied, het zijstraatje waar nooit iemand komt. Weet je kerel, het zit hem allemaal in de juiste locatie.
Hij knikt alsof hij mij begrijpt en vraagt aan een voorbij wandelend kind of zij een Pokémonkaartje wil kopen. Die heb ik al, zegt ze zonder te kijken.
Hoe weet ze eigenlijk welke kaartjes ik heb?, vraagt hij zich af. Ze kijkt niet eens.
Eigenlijk wil ik liever gaan spelen, mompelt hij.

Het hoofdje van dochterlief ligt inmiddels zowat in haar schoot. Ze roept nog een keer ‘tekeningen te koop’ tegen de heg, maar veel enthousiasme zit er niet in.
Misschien moet je aan mensen vragen of je een portret van ze mag tekenen, zeg ik. Je kan dat zo goed.
Wil ik niet, zegt ze koppig, armpjes streng over elkaar.
Twee oudere meiden lopen langs.
Die tekening lijkt op jou, zegt de een tegen de ander en wijst naar de tekening waar een prinses op staat met een soort van regenboog in de achtergrond.
Die ga ik voor je kopen, lacht ze. De andere meid giechelt.
Dochterlief glundert en kijkt trots mijn kant op. Ik steek mijn duim op.
Kost maar 50 cent, zegt een van de meiden.
Ik ga meteen geld halen, zegt de ander.
Ze giechelen en lopen vlug door. Ze vergeten de 50 cent en komen niet meer terug. Zoals jonge meiden wel vaker iets vergeten en dan niet meer terugkomen.
Tegen dochterlief zeg ik dat de meisjes zo terugkomen. Een uur later zeg ik het nog een keer. Daarna gelooft ze me niet meer.

 

Addendum
Een dag later scheen de zon. Op de camping gonsde het van de Pokémonkaartjeswinkelgeruchten. Na twee dagen telde de kast 15 euro. Zoonlief verkocht uiteindelijk 75 plaatjes. Een poging om naast de loomgast te gaan zitten eindigde in een klein drama toen de loomgast zoonlief ruw wegduwde en hem daar niet meer wilde zien. Een dag later bood de loomgast daarvoor zijn verontschuldigingen aan. Intussen ontstond op de camping een ware ondernemerschapsgekte. Een Krabbenmuseum (met wasknijper tegen de stank) en een Bloemenmuseum (met boterbloemkorting) openden al snel hun deuren.

Blog overzicht